Uit: het eerste nummer van Zeno, 1992
© Marianne van den Boomen
De toekomst is voorbij voor je het weet
Vijf perspectieven op planning en controle
DE AUTOMATISEERDERDe automatiseerder had eigenlijk maar één ding aan zijn hoofd: Het Systeem Moest Werken. Een eenvoudige, haast elegante opdracht. Niettemin kostte hem dat elke week meer dan zestig uur. Nou ja, hij kon wel wat hebben: hij was jong, ambitieus en vooralsnog ongebonden, zoals dat heet. Als het ging om verbindingen dacht hij in de eerste plaats aan de oneindige hoeveelheid losse eindjes die bungelden aan computersystemen. Eindjes om aan elkaar te knopen, wanordelijke tentakels om te stroomlijnen tot effici ënte organismen.
Hij puzzelde op on-line verbindingen.
Hij ontwierp nieuwe software-applicaties.
Hij sloot data-bases aan op interne documenten flows.
Hij implementeerde E-mail, netwerkprotocollen en grafische interfaces.
Hij verrichtte wonderen met geheugencapaciteit, opslagdichtheid en objectgeori ënteerde modules. En hij hield van zijn werk, van het koppelen, schakelen, doorschakelen.
De ontwikkelingen op zijn vakgebied gingen snel, razendsnel. Ook wat dat betreft was het voortdurend doorschakelen geblazen. Wie stil stond in dit kolkende marktsegment, legde het loodje. Zo was je aangekoppeld, zo was je afgekoppeld.
Wat vorig jaar nog toekomst was, was dit jaar verleden tijd -soms zelfs onvoltooid verleden tijd: veel systemen haalden de tegenwoordige tijd niet eens. Die logge apparatuur waarmee hij pakweg vijf jaar geleden werkte - onvoorstelbaar dat dat toen technologische avant-garde was. En helemaal onvoorstelbaar hoe banken, verzekeringsmaatschappijen, ziekenhuizen, bedrijven en wat al niet, ooit zonder automatisering hadden kunnen functioneren. In feite bestond de hele maatschappelijke infrastructuur intussen uit niets anders dan een gigantisch Wide Area Network van informatietechnologie.
Hij was maar een radertje in dat netwerk, maar hij wist zich verbonden met het zenuwstelsel van de samenleving. Hij had weleens het idee dat de automatiseringssector invloedrijker was dan de politiek. Neem nou zoiets als de Berlijnse Muur, ja het hele IJzeren Gordijn. Was dat eigenlijk niet vooral omgehaald door de reikwijdte van de telematica? Waren mensen niet door tv-beelden en andere informatie uit het Westen op het idee gekomen dat er meer te koop was in het leven? Informatietechnologie bood mensen een venster op de wereld en op henzelf, daarvan was hij overtuigd.
En er werden steeds meer vensters aan elkaar gekoppeld; geïsoleerde eiland-automatisering was uit - het was alles integratie, standaardisatie en compatibiliteit wat de klok sloeg. Daarbinnen moest je als automatiseerder maatwerk afleveren, en dat betekende: gedegen doorlichtingen van bedrijfsculturen en gedetailleerde informatie-, kennis- en performance-analyses.
Nee, automatisering ging allang niet meer over enkel nullen en enen. En ook de beperkte opvatting van efficiency - met minimale kosten een maximale snelheid en omzet - was ingeruild voor het ruimere kwaliteitsbegrip: kwaliteit van het produkt, kwaliteit van de service, kwaliteit van het personeel, kwaliteit van de arbeid. Er was meer en meer aandacht voor de kwaliteit van het leven. Een vakblad als de Automatisering Gids schreef bijvoorbeeld ook over sociale problemen als privacybescherming, informatievervuiling en de kwaliteit van de democratie in een vertechnologiseerde toekomst.
Maar hij moest toegeven dat hij nauwelijks tijd had om die dingen te lezen. En dat het doen werken van systemen iets heel anders was dan het hebben van overzicht en greep op het geheel.
DE BELEIDSMAKEROverzicht en greep, dat was het terrein van de beleidsmaker, dat eigenaardige niemandsland tussen politiek en ambtenarij. Ze had een pijlsnelle carrière gemaakt, onze beleidsmaakster, maar hoewel haar wortels lagen in het marxistisch-feminisme -o overzichtelijke tijden! - kon ze maar moeilijk uit de voeten met de dialectiek van het beleid: tussen regeren en uitvoeren, tussen plannen en naijlen, tussen maakbaarheid en machteloosheid. Een dialectiek zonder uitzicht op een synthese. Zelfs het reformistische concept van 'maakbaarheid' leek nu van een onbereikbare radicaliteit.
En wat ooit heette 'de dialectiek tussen privé en openbaar' zag er nu meer uit als een logistiek probleem van roosters en routes: van crèche naar werk, van vergadering naar supermarkt, van thuiscomputer naar afdelingsnetwerk, van fiets naar het overvolle openbaar vervoer naar toch maar weer de autofile. Een privéleven? Intieme gesprekken over relaties waren er al lang niet meer bij - hoogstens het zakelijk trekken van agenda's en het bekvechten over wie deze week de badkamer zou doen.
Coördinatie en management alom.En verder vergaderen, nota's lezen, vergaderen, nota's schrijven. Nota's voor de NOTA bijvoorbeeld, de Nederlandse Organisatie voor Technologisch Aspecten Onderzoek.
Ook al zoiets: die onmogelijke afkorting TA - Technology Assessment, dat moeizame proces dat de steeds ongrijpbaarder technologische ontwikkeling moest vangen in beleidstermen -wordt in het Nederlands doodleuk Technologische Aspecten. Een proces van waardebepaling en inschatting opgedeeld in hapklare brokken.
Maar terecht hoor, totaaloverzicht was immers onmogelijk - je was al blij als je de vinger kon leggen op één aspect.
En aspecten te over: werkgelegenheid, seksensegregatie in beroepen, de opkomst van het subproletarische digitale thuiswerk, persoonsregistratie en privacyproblematiek, de ethiek van embryo-onderzoek en reproduktietechnieken, de grenzen van erfelijkheidsonderzoek en genenmanipulatie, de dilemma's van oude en nieuwe energiebronnen en ga zo maar door. Zie dat maar eens om te smeden tot een werkbaar toekomstscenario, manoeuvrerend tussen het Scylla en Charibdis van Milieu en Economie en de ontelbare andere aspecten-klippen. En elk aspect leidde zijn eigen leven en ging totaal onverwachte verbindingen aan.
Met voorspellingen was haar afdeling dan ook voorzichtig geworden. Het papierloze kantoor? Hou toch op, nooit was de papierberg zo groot, niet ondanks maar dank zij de computerisering. De global village? Ha, een wereld van elkaar bestrijdende villages met hun eigen lokale propagandamedia zul je bedoelen. Kleinschalige niet-hiërarchische ondernemingen dan, naar analogie van het computernetwerk? Welnee: technologische multinationals die zich niets gelegen laten liggen aan nationale staten, omdat ze razendsnel over de aardbol kunnen schuiven met hun produktiefactoren. Geen mens kon dat toch overzien?
Als ze zich door het verkeer wurmde met de kleine voor op de fiets, vroeg ze zich wel eens af hoe zijn toekomst eruit zou zien. Wat voor bagage had zo'n kind nodig, welke weerbaarheid, welke flexibiliteit, welke socialiteit?
Het waren vragen die een beleidsmaker niet eens kon opdelen in aspecten, laat staan beantwoorden.
DE SOCIALE WETENSCHAPPERDe sociale wetenschapster intussen keek vol afgrijzen naar de Journaal-beelden van de hordes die de Duitse asielcentra te lijf gingen, aangemoedigd door fatsoenlijke burgers en beloond door politici die prompt strengere asielwetten toezegden. Wat stelde haar vak eigenlijk voor als het over dit soort dingen niks fundamenteels in huis had?
Ze was toevallig zwart, dus ze had aan den lijve ervaren wat racisme was. Het was ook haar werk - dagelijks draaide ze haar lessen in de collegezaal: 'Er bestaan geen rassen, er bestaat alleen racisme.' Dagelijks behandelde ze de constructies van racisme, fascisme en seksisme, maar iets wat ook maar leek op een verklaring voor dat bizarre wij-zijdenken, dat onnavolgbare proces waarmee een ander tot de Ander werd gemaakt, was niet voorhanden.
Het klassieke corpus van het vak bestond uit wat beschavingssociologie, wat kritische theorie en wat groepsdynamica. En natuurlijk de duizenden therapeutische varianten op de psychoanalyse - want het individu bleef ongelukkig en op zoek. Wat er verder bekend was over leerprocessen en geheugen vond vooral toepassing in computers - voor mensen was er kennelijk weinig te halen. Niet voor niks was zo'n beetje elke -loog of -goog inmiddels omgeschoold tot organisatieadviseur of informaticus.
En dat terwijl de metafoor van de maatschappij als automaat, als programmeerbare machine, al lang had plaatsgemaakt voor de veel reëlere metafoor van de turbulente draaikolk. Een draaikolk van mobiliteit op alle schalen: personen- en goederenvervoer, toerisme, vluchtelingenstromen. Een chaotische spiraal van geweld op alle fronten: vandalisme, aanvallen op buitenlanders, oorlogen, etnische zuiveringen, concentratiekampen.
De wereld heeft nooit bestaan zonder rampen, slagvelden en honger, hield ze zichzelf voor. Heus, het is niks nieuws.
En toch lijkt het erger. Omdat je het nu allemaal weet, omdat het dagelijks tot je komt.
Naïef dat men ooit dacht dat meer weten zou leiden tot de juiste beslissingen, tot rationeel gedrag - de wereld gaat juist aan informatie ten onder. Eigenlijk zou je nog blij moeten zijn dat de menselijke geest in staat was tot afsluiting en afstomping - je zou immers gillend gek worden als je voortdurend al je informatieantennes open had staan. Je kon het niet eens meer vervreemding noemen, het was meer een overlevingsstrategie.
En het bestond allemaal postmodern naast elkaar en door elkaar. De afstomping. De angst. De verveling. De macht. De onmacht. Het geweld.
Bestond er dan toch zoiets als de menselijke natuur? Met machtswil, angst en verveling als onontkoombare ingrediënten? 'Natuur' - ze geloofde er eigenlijk niet zo in, dat begrip had met name zwarten en vrouwen erg veel kwaad gedaan. In het nature/nurture-debat had ze altijd de zogeheten constructivistische positie ingenomen: er bestaat geen natuur of cultuur buiten onze cultureel bepaalde concepten, natuur is een 'uitvinding' van de cultuur. Maar die opvatting bood uiteindelijk net zo weinig verklaring als de pseudo-verklaring in termen van een essentiële natuur.
DE NATUURWETENSCHAPPERAh, de natuur - het werkterrein van de natuurwetenschapper.
Het was een groot laboratorium dat de oude man onder zijn hoede had. Een drukke veeleisende baan ja, maar interessant werk. Zijn teams waren competent en deden geregeld ontdekkingen die ertoe deden. Al ging het natuurlijk in kleine stapjes. Het systeem van de natuur was immers nog lang niet ontrafeld. En hoe meer je ontrafelde, hoe meer nieuwe rafels zich voordeden.
Zijn lab werkte met vele rafels: de rafels van het kankeronderzoek - de speurtocht naar de deficiënte regelgenen van celdelingen -, de rafels van het genoomproject -waarbinnen alle menselijke genen een label moesten krijgen dat hun functie omschreef - en natuurlijk het aids-onderzoek - dat geheimzinige afweersysteem dat ineens geen onderscheid meer kon maken tussen lichaamsvreemd en -eigen.
Het decoderen van rafels, ze onderbrengen in een systeem -een overzichtelijk vakgebied. En niet te vergeten: ingrijpen in de gedecodeerde systemen. Want het ingrijpen in de natuur was uiteindelijk een stuk gemakkelijker gebleken dan ingrijpen in de cultuur. Hij moest altijd een beetje lachen als hij weer eens in zo'n borreltafeldiscussie terecht kwam over de natuur/cultuur-kwestie. Zat er weer zo'n opgewonden zogenaamd kritisch type te mekkeren over het sociale en de cultuur, hoe dat open zou staan voor verandering en hoe iedereen die zich bezig hield met de andere pool, de natuur, conservatief de kant koos van fixatie van het bestaande. Vooral feministen hadden daar een handje van. Wat een onzin! De mens had meer veranderingen teweeggebracht in de natuur dan in de cultuur. De cultuur was nog altijd even barbaars als in de middeleeuwen, de natuur daarentegen was drastisch van karakter veranderd. Niet altijd ten goede, toegegeven, maar hoe dan ook bleek de natuur stukken ontvankelijker voor ontrafelen en ingrijpen, dus dat kon zich in de toekomst nog wel ten goede keren.
De meeste mensen hadden nog altijd zo'n mythisch, bijna goddelijk beeld van de natuur. Terwijl het toch gewoon ging om informatieverwerking en patroonherkenning. Wat dat betreft was er in feite geen onderscheid tussen natuur en cultuur -zo gauw een stukje natuur een kennis- of exploitatiegebied werd, was het opgenomen in de cultuur.
Een paar jonge honden op zijn lab gingen zelfs zo ver te beweren dat vrijwel alle natuur en cultuur onderhevig was aan dezelfde wetten. De wetten van de chaos noemden ze dat. Chaos! Hij wilde het woord niet horen, hij gruwde van die trendy popularisering van het serieuze onderzoek naar non-lineaire complexe dynamische systemen. Niettemin was hij onder de indruk van de parallelle patronen in zulke uiteenlopende zaken als beursfluctuaties, hartritmes, vogelpopulaties en wervelstormen. En spannend was het zeker: vreemde attractoren, gebroken dimensies en gedetermineerde onvoorspelbaarheden - maar chaos? Nee. Ander woord.
Hoe dan ook leek het hem dat de termen natuur en cultuur waardeloos waren geworden voor het debat over waar het heen ging met de wereld. Het hele debat over verandering en fixatie, over vooruitgang en achteruitgang, zou in heel andere termen moeten worden gevoerd. Welke, dat wist hij ook niet.
DE FILOSOOFDe filosoof dacht na. Dat was per slot van rekening haar/zijn taak. (Haar/zijn? Tja, hier is dat niet zomaar een talige constructie om seksisme in teksten te vermijden. Onze filosoof was namelijk een heuse transseksueel. Zij/hij had haar/zijn identiteitsproblemen met behulp van de technologie overwonnen, was nu een vrouw maar in feite elke seksecategorisatie en elke natuur-cultuurindeling voorbij. Laten we haar voor het gemak met de vrouwelijke vorm aanspreken.)
Ze kon de tijd nemen om na te denken, want ze had het verder niet zo druk. Voor een filosoof was er in deze tijd weliswaar veel te doen, maar waar alles markt was geworden, was het produkt van de filosoof niet zo'n veelgevraagd artikel. Af en toe een bijdrage aan een ethische commissie, een lezing op een congres over de technologische cultuur, hier een vakpublikatie, daar een krantecolumn - dat was het wel zo'n beetje. Dat heette dan een publiek debat.
De filosoof dacht met enige weemoed na over het Ware, het Juiste en het Schone. En over de toekomst van de mens.
Pats, daar had je hem al, de eerste paradox: de toekomst is al verleden tijd op het moment dat je erover gaat nadenken. Op het moment dat een nieuwe gedachte opkomt, een diagnose van een tijdsbeeld, kun je er donder op zeggen dat dat tijdsbeeld alweer voorbij is en er zich iets anders, iets nog ongedachts, voordoet in de wereld. Het is het klassieke drama van de filosofie: de uil van Minerva vliegt altijd pas bij het vallen van de avond.
De filosoof dacht dus maar na over iets dat duidelijk voorbij was volgens de postmoderne consensus: de Verlichting. Inderdaad, de droom van de Verlichting, de overwinning van de wetenschap en de menselijke rede, was niet uitgekomen. O ja, in technische, letterlijke zin was de Verlichting geslaagd: het duister en de zwaarte waren overwonnen. De wereld baadde in neonlicht en schijnwerpers, en de meeste informatieoverdracht was gewichtloos geworden. Maar de lichtheid van het bestaan is kennelijk net zo ondraaglijk als de duisternis en de zwaarte.
En o ja, er was onmiskenbaar meer informatie, meer kennis, maar - afgezien nog van het feit dat veel informatie voor kennis werd aangezien - om nu te zeggen dat dat hetzelfde was als meer begrip, meer rede, meer wijsheid - nee.
Om die zaken leek het ook geheel niet meer te gaan; communicatie was het sleutelwoord geworden. En weer slechts in beperkte technische zin. Wanneer communiceerden bijvoorbeeld een automatiseerder, een beleidsmaker, een sociale wetenschapper, een natuurwetenschapper en een filosoof met elkaar? Niet dat je daar nu alles van kon verwachten, maar misschien waren enkele van hun vakmatige tekorten op die manier aan te zuiveren.
Wat bleef was het menselijk tekort. Een tekort dat nooit technologisch of communicatief was op te lossen. De getransseksueerde filosoof was een expert in het menselijk tekort. Een lichaam kon je technologisch omsleutelen, een geest kon je communicatief herprogrammeren. Maar iets bleef ontglippen. Iets naamloos.
Onze filosoof was moe geworden van al dat denken. Ze deed het licht uit en ging slapen.En de andere mensen? Zij ploeterden voort. Zoals zij dat al eeuwen hadden gedaan. Sommigen wisten zich aan te passen aan de nieuwe menselijke tekorten, anderen gingen ten onder. Zoals dat al eeuwen was gegaan. Zoals de toekomst zich al eeuwen voltrok.
© Marianne van den Boomen