Uit: I&I nummer 2 maart 2002
© Marianne van den Boomen


Alles woelt om interactie



Ik schrijf nu meer dan een jaar met veel plezier columns voor i&i. Vreemd genoeg weet ik nog altijd niet waar de letters i&i voor staan. In eerste instantie dacht ik 'interactie & informatie', maar al gauw merkte ik dat de betekenis per nummer verschilt: 'intenties & infodrome', 'inperking & informatievrijheid', 'internet & innovatie' etcetera. Verfrissend en creatief, zo'n flexibele omgang met het vakgebied. Toch denk ik stiekem dat het eigentijk wel degelijk altijd om 'interactie & informatie' gaat. Juist de telkens wisselende verwoording laat zien dat de glibberigheid van deze concepten wordt erkend, zonder ze helemaal weg te relativeren.
'Interactie' is waarschijnlijk het meest gebruikte en misbruikte woord als het gaat om Internet. Interactie, dat is wat Internet anders maakt dan andere media - daar is eenieder het over eens. Maar vervolgens lopen de verhalen snel uit elkaar, in een utopische en dystopische variant. Interactie, zo menen de digitale utopisten, lost de klassieke scheiding op tussen zender en ontvanger, tussen producent en consument, tussen auteur en lezer. Door interactie wordt iedereen mede-zender, mede-producent en mede-auteur. Mede-zeggenschap voor iedereen! Basisdemocratie!
Interactie, zo menen daarentegen de digitale dystopisten, lost de klassieke scheiding op tussen professional en amateur, tussen feit en fictie, tussen degelijk wetenschappelijk of journalistiek werk en (b)roddelwerk, tussen wijzen en gekken, tussen commercie en publiek domein, tussen hogere en lagere cultuur. Sociaal-culturele desoriëntatie alom! Cultuurverval!
En niet alleen cultuuroptimisten en cultuurpessimisten zetten het concept interactie in het brandpunt van hun brede panorama's, ook de meer praktisch georiënteerden doen dat, in meer bescheiden verhalen. Maar ook zij bedoelen er telkens heel verschillende dingen mee. De e-commerce marketeer doelt ermee op de mogelijkheid om online producten te bestellen en te betalen ('push the pay button') of op het vergaren van een dataprofiel van site-bezoekers. De e-democracy-apostel doelt ermee op online inspraak en verkiezingen. De e-organizer doelt op directe digitale feedback van gebruikers, consumenten of leden. De e-community-adept doelt ermee op onderlinge communicatie en communityvorming tussen online gebruikers. De e-designer doelt ermee op een interface-ontwerp waarin de gebruiker het beeld of de gebeurtenissen zelf kan sturen. De e-publisher doelt ermee op dynamische databased websites, die individueel toegesneden informatie presenteren.
Alles woelt hier om interactie. Maar het moge duidelijk zijn: eenieder projecteert er zijn eigen handelingsscenario op. Bijgevolg kan het verschillende betekenissen hebben: economische, politieke, organisationele, sociale, culturele, esthetische of journalistieke. Of ligt er onder al die verschillende projecties niet toch een gemeenschappelijk kenmerk ten grondslag?
Zoals wel vaker in de Internet-mythologie is het ook hier verhelderend om de precieze technische betekenis voor het voetlicht te halen. Redelijk gangbaar is de onderverdeling in drie soorten technische interactiviteit (zie onder andere Mark Deuze 2002 http://www.firstmonday.dk/issues/issue6_10/deuze/):
1) Navigationele interactiviteit. Dit behelst de vrijheidsgraad waarmee gebruikers kunnen navigeren door en selecteren binnen op zich vaststaand materiaal (buttons en hyperlinks op het web, database-query's).
2) Functionele interactiviteit. Deze vorm bestaat uit een wisselwerking tussen gebruiker en systeem, in de vorm van een specifieke functie die de gebruiker kan aanroepen en van semi-vrije eigen input kan voorzien (online bestellen of stemmen, mailen naar de site-eigenaar, een kleurplaat of interactief spel, een web-opiniepeiling of een quiz).
3) Adaptieve interactiviteit tenslotte betekent dat de gebruiker door zijn (inter)acties daadwerkelijk materiaal toevoegt of verandert - in publieke zin, dus niet alleen voor zichzelf of de site-eigenaar maar ook voor andere gebruikers (chatrooms, online gastenboek, webfora).

Dat is inderdaad verhelderend. Zo wordt duidelijk dat ontwerpers het meestal hebben over navigationele en functionele interactie, e-commerce types over functionele interactie en e-community types over adaptieve interactie. Toch lijkt er een dimensie te ontbreken. Deze technische driedeling legt de nadruk op de interactie tussen gebruiker en 'computer' - specifieker: tussen gebruiker en respectievelijk representatie (navigationeel), systeem (functioneel) en materiaal (adaptief). Wat hier mist, is aandacht voor de geadresseerde voor zover die niet bestaat uit de 'computer'. Oftewel, de sociaal geadresseerden. Er bestaat immers, naast de interactie tussen gebruiker en computer, ook interactie tussen gebruiker en organisatie (online bestellen of mailen naar de site-eigenaar), en interactie tussen gebruikers onderling (chatrooms en webfora). Interacties geadresseerd aan organisaties of andere gebruikers zijn weliswaar ook altijd functioneel en/of adaptief, maar niet elke functionele interactie is sociaal geadresseerd (denk aan online kleurplaten of quizzen), en niet elke adaptieve interactie brengt onderlinge communicatie tussen gebruikers op gang (denk aan een gastenboek).
Het is verleidelijk te denken dat precies die sociaal geadresseerde interactie het Internet maakt tot iets unieks. De drie technische vormen van interactiviteit zijn immers op zich niet voorbehouden aan het Internet, zelfs niet aan computers. Onder navigationele interactiviteit vallen immers ook de inhoudsopgave, trefwoordenindex en paginanummering van een boek. En in feite is een koffieautomaat die ook soep kan serveren of wisselgeld teruggeven, uitgerust met functionele interactiviteit. En het advertentieprikbord bij de Albert Heijn belichaamt een vorm van adaptieve interactiviteit - gebruikers veranderen het publiek tentoongestelde materiaal. Technische interactiviteit is kortom geen voldoende onderscheidend kenmerk van het internet c.q. computers; ook andere apparaten kunnen die vertonen.
Maar bij nader inzien geldt dat ook voor sociaal geadresseerde interactiviteit. De alarmknop in een lift die direct wordt doorgeschakeld naar een organisatie of bedrijf dat je zo snel mogelijk zal bevrijden uit je benarde situatie, is zowel een vorm van functionele als sociaal geadresseerde interactiviteit. En ook sociaal geadresseerde interactie tussen gebruikers onderling is mogelijk met andere apparaten dan computers, zoals met radiobakkies.
Wel kunnen we stellen dat een PC het enige apparaat is dat principieel en geheel is gebaseerd op functionele interactie: een PC is immers per definitie een multifunctionele machine, middels software permanent veranderbaar/uitbreidbaar naar nieuwe functies. Eveneens kunnen we stellen dat het Internet het enige medium is dat principieel en geheel gebaseerd is op sociaal geadresseerde interactie (middels technische interactie): tussen gebruikers en organisaties, en tussen gebruikers onderling. En ook hier ligt de sleutel in software. Immers, het is voorgeprogrammeerd in software (browsers) en protocollen (http, ftp) hoe de navigationele interacties kunnen plaatsvinden; het is voorgeprogrammeerd in software - programma's op je harde schijf, scripts op webpagina's - dat de computer telkens een andere functie kan uitoefenen (betaalmachine, wordprocessor, mailverstuurder, zoekmachine, MP3-speler); het is voorgeprogrammeerd in software en protocollen (mailinglists, nieuwsgroepen, webfora) of en hoe er communicatie tussen gebruikers onderling kan plaatsvinden.
Het lijkt een open deur: Internet-interactie staat en valt met software. Maar niet voor niks laat ik het woord 'voorgeprogrammeerd' zo vaak vallen. Software is natuurlijk per definitie voorgeprogrammeerd, maar wat betekent dit voor de combinatie met dat vrijheidsuggererende woord 'interactie'? Waar het woord 'interactie' ook valt, meestal betekent het slechts: 'reactie'. Reactie op voorgeprogrammeerd navigatie-, functionaliteit- of adaptievermogen - zonder dat dat vermogen zelf verandert. Dat is geen interactie; werkelijke interactie is immers wederzijdse beïnvloeding en verandering. Dit is de 'double-click'-illusie: reactie aanzien voor interactie. In feite is er op het Internet dan ook veel minder interactie dan we denken. Pas als de software zelf verandert door gebruikershandelingen - en niet slechts overgaat tot een andere ingebouwde functie - kun je spreken van werkelijke interactie. In die zin is alleen open source software werkelijk interactief te noemen.
Alles en iedereen woelt om interactie. Maar slechts weinigen breken de code daartoe werkelijk open.

Marianne van den Boomen (boom@xs4all.nl) is webredacteur van het weekblad De Groene Amsterdammer, freelance 'internetfilosoof' en auteur van o.a. Leven op het Net: De sociale betekenis van virtuele gemeenschappen (Amsterdam, Instituut voor Publiek en Politiek, 2000)