De stad als interface
De Helling, jaargang 9, nummer 1, voorjaar
1996
Marianne van den Boomen
Wat is een stad? Een concentratie van mensen,
gebouwen en
verkeer. Bovengronds dan, ondergronds bevindt zich een
onzichtbare maar fundamentele infrastructuur: kabels.
Elektriciteitskabels, telefoonkabels, TV-kabels,
datakabels.
Wat gebeurt er in de stad? Eigenlijk vooral verkeer, een
voortdurende circulatie van goederen & geld, van
boodschappen & beelden, van mensen & machines.
Bovengronds, maar steeds meer ook ondergronds. Waardoor het
bovengrondse stadsleven steeds virtueler wordt. En het
ondergrondse steeds werkelijker.
Circulatie
Mensen & machines. Van oudsher zijn de circulerende
stadsmachines vooral vervoermiddelen, maar in het hedendaagse
straatbeeld duiken steeds vaker walkmans, gameboys en mobiele
telefoons op. Het zijn digitale machines om een eigen ruimte
te creëren, afgeschermd van het stadsgewoel om je heen.
Cyborgs in een privacykoepel temidden van de circulatie. In
feite niet zo anders dan benzinemotormachines: ook de auto
zorgt voor een eigen onafhankelijke ruimte op de openbare
weg.
Met zijn eigen paradox: als de concentratie te groot wordt,
stopt de circulatie.
De stad is een heikel evenwicht tussen concentratie en
circulatie.
Stadsmachines circuleren niet alleen als vervoermiddelen of
privacykoepels maar ook als goederen. Machines om de
binnenruimte comfortabel te maken: wasmachines, koelkasten,
magnetrons. Machines om uit de binnenruimte te komen:
fietsen,
auto's. Machines om de buitenwereld binnen te halen:
telefoons, TV's, videorecorders, computers. Machines,
geschakeld in eigen netwerken, en steeds meer ook onderling
geschakeld.
Te zamen goed voor een ondergronds netwerk dat de wereld op
zijn kop zet: de grens tussen binnen en buiten vervaagt, en
zo
ook de grens tussen stad en niet-stad. De digitale
verstedelijking maakt van elk dorp een virtuele stad.
En omdat de beelden en boodschappen van buiten worden
geïnternaliseerd en gematerialiseerd, gaan alle steden
op
elkaar lijken. McDonald's, Visa en Eurocard, dezelfde films
in
de bioscopen, dezelfde T-shirts in de rekken, dezelfde Hema's
en Blokkers in de winkelstraten.
Boodschappen & beelden. Horen en zien vergaat je in de
stad, maar het is precies de reden waarom mensen naar de stad
trekken. Een studie aan de universiteit, een dienst van een
instelling, een theatervoorstelling, een openbaar debat. Of
de
gewone stadsdrukte op straat, met al het getater van taal
& tekst. Reclame, neon, straatnamen, wegwijzers. Geklets,
gegroet, kroegpraatjes.
Wat zoeken mensen in de stad? Consumptie, cultuur,
communicatie. Ontspanning, opwinding, ontmoeting. Natuurlijk,
het gaat ook nog om het klassieke rijtje: huisvesting,
onderwijs, zorg, dienstverlening. Werk? Misschien, als je
geluk hebt. Als freelancejournalist of informatiemakelaar, of
anders in de horeca of de dienstverlening. Ambacht en
industrie zijn vrijwel verdwenen uit de stad; de hedendaagse
stad is eerder een reproduktienetwerk dan een
produktiemachine.
Wie of wat beheert de stad? Stadsbestuur, publiek-private
instellingen, particulier initiatief, publieke moraal,
bureaucratie, sociale zelfregulering, economische en
technologische wetmatigheden.
De stad is een serie opsommingen. Een voorgeprogrammeerde
menulijst, waaruit telkens een keuze wordt maakt. Maar niet
alle menu-items werken even goed - die van de bureaucratie
doet het vaker dan die van de publieke moraal.
Tijd & ruimte
Stadsleven beweegt zich langs lijnen van tijd.
Er zijn dagelijkse ritmes van waken en slapen, van
kantoortijden, winkeltijden en spitsuren. Er zijn
seizoensritmes rond hoogtijdagen, schoolvakanties,
zomerfestivals.
Maar de ritmes worden steeds vloeiender. Er zijn zondags- en
avondwinkels, en sowieso flexibele winkeltijden. Er is al een
'daluren-spits', na negenen. De uitverkoop is allang niet
meer
gebonden aan de nieuwe seizoenscollectie; de collectie wordt
voortdurend vernieuwd, er is altijd wel ergens uitverkoop. En
altijd wel ergens een festival.
Kalenders, klokken en horloges zijn niet meer de interfaces
om
mens & maatschappij op elkaar af te stemmen. Je hebt meer
aan een personal agent, een zoekmachine die uit alle
mogelijkheden keuzes voor je maakt, op grond van je
persoonlijke efficiëntie, je persoonlijke smaak en
interesse, je persoonlijke ritme en locatie. (Nee, zulke
apparaatjes of programma's bestaan nog niet. Ze zitten in
onze
kop. En in de dromen van cyberfuturologen.)
Stadsleven beweegt zich langs lijnen van plaats.
Ooit boden de stadsmuren bescherming tegen de buitenwereld.
De
plaats was bemeten op een paarden- en mensenschaal en het
hart
van de stad bestond uit een markt, met losjes er om heen
winkels, bedrijfjes, herbergen, woningen.
Tegenwoordig is de stad bemeten naar autoschaal. Ruimtelijke
ordening koppelt functie aan lokatie. Wijken om te wonen,
wijken om te werken, centra of straten om te winkelen, parken
en groen om lucht te happen, sporthallen om te bewegen. Elke
functie een andere ruimte, elke ruimte een andere
architectuur
en inrichting. Privéruimtes en openbare ruimtes,
strikt
gescheiden. Duidelijk herkenbare gebouwen voor publieke
instellingen als postkantoor, museum, stadhuis of RIAGG.
Tussendoor grensgebieden en verkeerslijnen: wegen, parken,
pleinen, niemandsland. Met als enige functie: circulatie.
Functiespreiding holt de stad uit; hier vernietigt de
circulatie de pluriforme concentratie. De binnenstad wordt
van
junks, daklozen, winkel- en uitgaanspubliek.
De ruimtelijk-functionele afbakeningen zijn echter aan erosie
onderhevig. De vrouwenbeweging wijst er al jaren op dat er in
huizen en zogenaamde slaapsteden niet alleen wordt geslapen
maar ook gewerkt: huishoudelijk werk, zorgarbeid. Bovendien
is
het in de hedendaagse stress-maatschappij met te veel werk
voor een te kleine groep mensen niet ongewoon om werk mee
naar
huis te nemen. De huidige produktiemiddelen bestaan immers
vooral uit gemakkelijk vervoerbaar papier. Of nog
gewichtlozer: bits. Op de computer thuis kan het net zo goed.
En via een online-verbinding hoef je ook het eigen lichaam
niet meer te vervoeren naar een vaste werkplek
buitenshuis.
Met een notebook plus mobiele telefonie ben je zelfs niet
meer
gebakken aan je eigen huis. De nomadische werker haalt niet
zozeer de buitenwereld binnenshuis, maar creëert op elke
plek zijn eigen unieke binnenstebuitenwereld. In grand
cafés, in motels, op parkbankjes. De telemens is
overal
thuis.
Iedereen mobiel en online, en we kunnen echt wat leuks maken
van de wereld. Een global village van pluriforme concentratie
en circulatie. Bevrijding van de arbeid, bevrijding van de
ruimte, bevrijding van de tijd.
De telemens
Het is de hedendaagse cyberfuturistendroom. Telewerken,
telewinkelen, telebankieren, teleleren, teledemocratie,
telemusea. De barrières van tijd en plaats worden
doorbroken, ja, compleet versplinterd. Bits in plaats van
atomen, transport van datastromen in plaats van materie. Weg
milieuprobleem, weg verkeersprobleem. Weg
verstedelijkingsproblemen. Weg scheve arbeidsverdeling tussen
mannen en vrouwen. Want als elk stel thuis telewerkt dan zal
de man toch vanzelf tussendoor meer snotneuzen afvegen,
tegeltjes soppen en haardotjes uit het doucheputje
vissen?
De verwachtingsvolle trek naar het Net is dezelfde als ooit
de
trek naar de stad. Een nieuwe toekomst opbouwen, een
verouderde produktiewijze achterlaten.
Maar zo gaat dat niet. Produktiewijzen zijn altijd
samengesteld uit nieuwe elementen en vaak eeuwenoude
sedimenten uit 'vorige' produktiewijzen. De pizza kan je dan
elektronisch bestellen op het Net, hij zal wel ergens
gebakken
moeten worden. En ergens zal het graan geoogst en de
sardientjes gevangen moeten worden. De digitale
produktiewijze
heeft frontoffices in de dienstverlening, maar ook
backoffices
in de industrie en landbouw, niet zelden in de derde
wereld.
En dan de interne paradox van die nomadische werker. Ja, deze
telemens kan vanuit het motel werken. Maar wat moet-ie
eigenlijk in dat motel - dat sediment uit het autotijdperk en
vervoer van materie? Het lichaam hoefde toch nergens meer
heen? Wie overal online kan werken, communiceren en
consumeren, hoeft nergens meer te zijn.
Maar waar blijf je dan?
Hoe dan ook wordt de stad gedigitaliseerd. De
netwerktechnologie kruipt in alle kieren en gaten. En
andersom
verstedelijkt de digitale wildernis, cyberspace: van een lege
ruimte naar concentratie en circulatie. Over en weer worden
metaforen geleend. En problemen. Digitale steden kunnen
misschien iets leren van klassieke steden, en andersom.
Metaforen
De Digitale Stad opende in 1994 haar poorten, het begin van
de
Internet-hype in Nederland.
Waarom eigenlijk via zo'n stadsmetafoor? Waarom het Internet
niet representeren als tuin, clubhuis, theater, kermis,
stammenoorlog, vlooienmarkt, spel, quiz, speeltuin, onbewoond
eiland, jagen en verzamelen in een wildernis. Allemaal hebben
ze wel iets, al zegt elke metafoor zowel te weinig als te
veel. Elke metafoor vergroot een bepaald aspect van het
betekende en drukt andere weg.
De stadsmetafoor is verleidelijk omdat ze orde èn
dynamiek verbeeldt, gelijktijdig en gelijkplaatsig.
Orde, ruimtelijke ordening: de vertaling van abstracte
Internet-functies - informatie, communicatie, interactie - in
'architectonische ruimtes'. Het digitale postkantoor, de
kiosk, het openbare forum, het stadscafé. Functies
gekoppeld aan lokaties, zoals in de klassieke ruimtelijke
ordening - dat kennen de mensen. En zo'n 'ruimte' hoeft er
helemaal niet uit te zien als een echt postkantoor of
café: zuivere tekst volstaat. De eerste versie van de
Digitale Stad was letterlijk een menulijst. Het ruimtelijke
stadsbeeld zit in ons hoofd, bij het woord 'postkantoor'
weten
wij dat wij daar post kunnen verzenden.
Maar een stad is meer dan een geordende serie lokaties - ook
het dynamische van een metropool hoort bij de digitale
stadsmetafoor. Concentratie, circulatie, ontmoeting, cultuur
en amusement - dat is waar de stad en cyberspace elkaar
vinden. En er was de hoop op digitale burgerschapsvorming,
wellicht zelfs een vorm van politieke en sociale
vernieuwing.
De stadsmetafoor dus om het Internet te ontsluiten.
Ruimtelijk, dynamisch, eigentijds, ambitieus.
Maar elke metafoor creëert een surplus aan betekenis,
een
extra dat oorspronkelijk niet aanwezig was in het betekende.
Een surplus dat een eigen leven gaat leiden, en uiteindelijk
het oorspronkelijk betekende verandert.
De surplusbetekenis van de Digitale Stad zit 'm in de
ruimtelijke concentratie. Een aan het Internet wezensvreemd
aspect. Cyberspace is een virtuele dataruimte, niet begrensd
door dimensies van lengte, hoogte en breedte. De begrenzingen
zitten in transmissiecapaciteit ('bandbreedte' heet dat
wonderlijk genoeg - eigenaardige gewoonte toch om abstracties
te vertalen in iets ruimtelijks), in geheugencapaciteit, in
verbroken verbindingen, maar nooit in de euclidische ruimte.
Er is nooit letterlijk ruimtegebrek in cyberspace, zoals er
ruimtegebrek in een echte stad kan zijn.
In de Digitale Stad heerste echter al spoedig ruimtegebrek,
omdat het functionele overzicht per se op één
beeldscherm moest passen. Anders kreeg je immers tweederangs
(tweedescherms) functies en -informatie. Geen suffe
buitenwijken, geen uit het oog verloren getto's: iedereen
heeft recht op het dynamische centrum. Concentratie.
En omdat er voortdurend nieuwe functies en
informatieaanbieders bijkwamen, volstonden tekstuele
menulijstjes niet meer, die werden veel te lang. Bovendien
was
er een autonome Internet-ontwikkeling van tekst naar
multimedia: homepages die iedereen zelf kan opmaken en
inrichten, met tekst, verschillende lettertypes, plaatjes,
filmpjes en geluid. En met hyperlinks, aanklikpunten die je
direct naar een plek elders op het net brengen.
Elders op het Net - wat betekent dat nog? Ja, de computer
waarop de betreffende bits zijn opgeslagen kan zich in China
of Amerika bevinden, maar in feite maakt het niet uit.
Afstanden in tijd en ruimte doen er niet meer toe. De kaart
is
tevens het gebied.
Goed voor de stadsdynamiek.
Stadsvernieuwing
Stadsvernieuwing dus, sanering. Van tekstmenulijstjes naar
een
visualisatie. De Digitale Stad als plattegrond van aan elkaar
grenzende, thematische pleinen: het Filmplein, het
Computerplein, het Overheidsplein, het Jongerenplein, het
Cultuurplein, het Homoplein etcetera. Een soort inhoudelijke
segregatie. Klik op een plein en dat vult je hele
beeldscherm - vanuit helikopterperspectief zie je 'gebouwen'
van officiële informatieaanbieders en 'huizen'
(homepages) van Digitale-Stadsbewoners liggen. Elk plein
kreeg
tevens een paar bijbehorende discussiefora, een kiosk met op
het thema toegesneden boeken en tijdschriften en een eigen
café. Totale decentralisatie.
Maar pleinen zijn een stap terug in de tijd en de
technologie:
een digitale stad op paard- en wagenschaal. Je moet eerst de
ruimtelijke locatie weten om er naar toe te kunnen gaan. De
ingang via functies - alle discussiegroepen even langslopen,
kijken wat er in het café gebeurt, de kiosk checken op
nieuwe aanwinsten - was niet meer; er was slechts ingang op
specifieke inhoud.
Het leek prompt wel een echte stad: bewoners wilden inspraak,
waren gehecht aan hun oude gewoontes en boeltje, het nieuwe
bleek te haperen aan alle kanten, wie een computer had die
alleen maar tekst liet zien, raakte geheel
gedesoriënteerd. Burgerprotest.
De notoire kroegtijgers wilden hun centrale stadscafé
terug - want met die tientallen cafeetjes wist je nooit waar
de rest zat en kwam je voortdurend in lege cafés. Nee,
ze hadden geen behoefte aan een filmcafé aan het
Filmplein of een computercafé aan het Computerplein.
Ze
zochten elkaar, de inhoud bepaalden ze zelf wel.
Fixatie
Terwijl de digitalisering van de echte stad functie en inhoud
loskoppelt van specifieke locaties, neigt de verstedelijking
in cyberspace naar het ruimtelijk/inhoudelijk vastzetten van
functies. Het eerste gaat uit van illusie van de totale tele-
mens die nooit meer anderen hoeft te ontmoeten; het tweede
gaat uit van de illusie dat communicatie zich thematisch-
ruimtelijk laat ordenen.
In beide gevallen wordt het stedelijke miskend in zijn eigen
orde en chaos. Boodschappen & beelden, maar nooit zonder
taal & tekst. Reclame, neon, straatnamen, maar vooral:
wegwijzers. Mensen zoeken in steden - echte en digitale -
zowel geplande als toevallige ontmoetingen. Ze benaderen soms
een stad op grond van functies, soms op grond van inhoud,
soms
zomaar in het wilde weg. En ze switchen voortdurend tussen
die
benaderingswijzen. De interface - het apparaat of het
medium dat fungeert als intermediair tussen mens en doel,
tussen wens en realisatie, dat bepaalt op welke wijze het
gezochte toegankelijk wordt gemaakt - moet dan ook zo
ontworpen zijn dat dat switchen mogelijk is.
Juist de digitalisering maakt het mogelijk om al die
benaderingswijzen telkens naast elkaar open te houden. Zowel
in de echte als in de digitale stad. In een echte stad is het
best handig als er in elke wijk PIN-automaten hangen - maar
dat is nog geen reden om de lokale postkantoren dan maar te
sluiten. De interface van een digitale stad kan best bestaan
uit thematische, ruimtelijk geordende pleinen - maar er is
geen enkele reden om het niet tevens naar functie en via een
alfabetische index te doen. Juist digitalisering maakt zo'n
gelijktijdigheid en gelijkplaatsigheid mogelijk. Parallel,
virtueel en flexibel in plaats van eendimensionaal geordend
en
gefixeerd.
De twee soorten steden lijken elk een andere kant op te
bewegen. De echte stad maakt zich los van haar historisch
gegroeide functioneel-ruimtelijke fixatie, maar neigt
daardoor
een gelijkvormig niemandsland te worden, zonder lokale
eigenaardigheden. Op het Internet probeert men daarentegen de
chaos van parallelle virtualiteiten steeds meer thematisch en
ruimtelijk te ordenen. Met het aanbrengen van indexeringen en
zoeksystemen valt zelfs geld te verdienen op het Net.
Terrascultuur
Een databank of een bibliotheek kun je thematisch indexeren,
ja, zelfs het hele Internet. Maar daarmee reduceer je het Net
wel tot een zuiver informatiesysteem, tot een gigantische
harde schijf. En het Net is niet alleen een
informatiesysteem;
het is vooral een communicatiesysteem. Een systeem voor
ontmoeting, uitwisseling, interactie.
Wie het Net als stad wil benaderen, als leefomgeving, als
concentratie en circulatie van informatie en communicatie,
kan
noch het Net reduceren tot databank, noch de stad reduceren
tot ruimtelijke ordening. Van beide wordt dan de
ontmoetingsfunctie miskend.
Kijk naar wat het Net en de stad werkelijk gemeen hebben: de
horecaïsering. Terwijl de hedendaagse binnensteden
steeds
meer
het concentratiepunt worden van terrassen, grand cafés
en restaurantjes, creëert ook het Internet zijn eigen
terrascultuur. Geplande en toevallige en de geplande
ontmoeting en uitwisseling: via private en openbare e-mail,
via nieuwsgroepen, via IRC-kanalen (Internet Relay Chat;
tekstuele babbelboxen). Soms hebben deze groepen of kanalen
een onderwerp - waar net zo gemakkelijk van wordt afgeweken -
soms niet. Het zijn virtuele gemeenschappen, digitale
buurtkroegen. Compleet met de bijbehorende ruzies, relletjes
en romantiek. Maar ook compleet met vormen van collectieve
creativiteit en organisatie - omdat het gebaseerd is op
zelforganisatie.
Mensen zoeken veel op het Net en in de stad, maar het meeste
zoeken ze elkaar.
Dat het Net niet zozeer functioneert als enorme databank die
voor het publiek ontsloten moet worden, blijkt ook uit de
openbare context waarin het gedijt. Er circuleren vele
ideeën over waar publieke terminals - openbaar
toegankelijke Internet-computers voor mensen die thuis geen
PC
hebben - zouden moeten staan: postkantoren, bibliotheken,
musea, buurthuizen, scholen? Al die plekken kunnen, maar er
is
één plaats die in de planvorming over het hoofd
is gezien en die 'vanzelf' - door de onzichtbare hand van de
markt - is opgedoken: cafés en coffeeshops. Er komen
ook in Nederland steeds meer Internet-cafés,
ontmoetingsplaatsen waar je onder het genot van een
cappuccino, biertje of zelfs joint voor zo'n tientje per uur
kunt Internetten.
Interface
Andersom kan de echte stad iets leren van de Digitale Stad.
Het zou wel eens heel verfrissend kunnen zijn als
stadsbestuurders hun stad zouden opvatten als interface-
ontwerpprobleem. Daarmee verschijnt het belang van hoe de
stad
eruit ziet, op welke wijzen mensen haar moeten kunnen
benaderen. Zo ziet de stad er anders uit voor verschillende
vervoermiddelen: rolstoel, fiets of auto - net zoals een
digitale stad er anders uitziet voor verschillende computers:
multimedia of alleen tekst. Elk interface-ontwerp moet daar
rekening mee houden.
Daarmee verschijnen ook de verschillende wensen, en de wijzen
waarop die gestalte kunnen krijgen: parallel, zonder elkaar
dwars te zitten maar wel met zoveel mogelijk
dwarsverbindingen. Wonen, werken, winkelen, uitgaan, slapen
(ook voor daklozen bijvoorbeeld!), keet schoppen. Orde en
chaos, rust en vertier, private en openbare ruimten.
En zoals het interface-ontwerp van een digitale stad niet kan
worden overgelaten aan een technocratenteam van alleen
computerprogrammeurs en multimediadesigners, zo kan een
interface-ontwerp van een echte stad niet worden overgelaten
aan een technocratenteam van bestuurders en planners. In
beide
gevallen is de interactieve inbreng van pakweg filosofen,
opbouwwerkers, leerkrachten en cultuursociologen
onontbeerlijk. En niet te vergeten: die van de gebruikers,
burgers, gewone mensen.
Want als we niet oppassen, reproduceert de beruchte kloof
tussen bestuurders en burgers zich in digitale zin doodleuk
tussen programmeurs en gebruikers.
Het zou dan ook wel eens heel verfrissend kunnen zijn als de
stadplanners en -bestuurders hun stad zouden opvatten als een
soort harde schijf, als een enorme chaotische databank van
een
collectief geheugen. Als uitdaging om dat collectieve
materiaal aan ideeën en wensen, problemen en oplossingen
publiek te ontsluiten. Het tekentafelbesturen met af en toe
een formalistisch inspraakavondje verandert dan in creatief
ideeënbeheer en permanente samenspraak tussen planners
en
burgers. Dat kan via e-mail en nieuwsgroepen, maar het hoeft
niet. Een creatieve digitalisering van het politieke bestuur
draait in de eerste plaats om wederzijdse interactie en
collectief geheugenbeheer - welke media daarbij gebruikt
worden, is een tweede. Zo'n vorm van politieke digitalisering
heeft niets te maken met formele telereferenda via computers
-
dat is de burger reduceren tot ja/nee-knoppen. De
digitalisering van de stad draait niet om knoppen en
apparaten, maar om interactieve netwerken, collectief
geheugenbeheer en interfacepolitiek.